Vanochtend liep ik op Istiklal, de meest populaire winkelstraat in Taksim. Het begon te regenen en voordat ik het wist stonden en links en rechts verkopers “Paraplu’s! Paraplu’s! Voor slechts vijf lira!” Waar ze zo snel vandaan kwamen, weet ik nog steeds niet. Al stormt het op Istiklal, er lopen altijd mensen.
Het is bijna niet mogelijk om niet met een vrolijk gezicht te lopen op Istiklal; leuke winkels, luid muziek, alle soorten mensen die je snel kunt bekijken. De sfeer is er gewoon om van te genieten. Totdat ik opeens in de verte een vrouw hoorde schreeuwen. Je hebt vast wel eens je kleine teen tegen je tafelpoot gestoten en het gevoel gehad dat je voet van je been zou af vallen en het wilde uitschreeuwen. Hou dat gevoel vast. En stel voor dat je tien keer tegen dezelfde tafelpoot aanstoot…zo hard schreeuwde ze.
“IK BEN HET ZAT! IK BEN DIT LAND ZAT! IK WERK ME DE TERING VOOR NIETS! IK BEN KAPOT! HEB GEEN RUG MEER, GEEN KNIEËN MEER! WAT KRIJG IK ER VOOR TERUG? NIKS! HOERENJONGEN ZIJN HET ALLEMAAL!”
Terwijl ze dit meerdere keren met wilde handgebaren herhaalde, liep ze door de mensen heen. Tegen wie ze het had? Weet ik niet. Het zette een meneer die achter me liep in ieder geval aan het denken. “Ze heeft verdomme gelijk” zei hij.
Ik schudde het van me af en liep rustig verder. Tien minuten later liep er een jongeman langs die aan het bellen was. Schreeuwend riep hij: “NEE verdomme! Nee! Ik heb die papieren al een keer opgestuurd. Het is niet mijn fout dat jullie het zijn kwijt geraakt! Ik ben er dagen mee bezig geweest! Ik ben het zat! Ik wil godverdomme een baan!” Hij hing de telefoon op en er begon een scheldtirade waarbij opnieuw de moeders en de nodige ezels niet werden bespaard.
Op de een of andere manier trekken de Turken hier zich niet zoveel aan van de mensen om zich heen. Overal in Istanbul zie je twee werelden. Hoe makkelijk er een vijfsterren hotel gebouwd kan worden naast een vuilnisbelt, net zo makkelijk lopen er gefrustreerde mensen die het moeilijk hebben, in de mooiste winkelstraten van de stad.